In de ogen van een kind kunnen zelfs de wat rustigere stukjes van een stad een waar speelparadijs zijn. Dat blijkt uit het verhaal van Barry, waarin warenhuizen functioneren als onontdekte universums en braakliggende velden perfecte sleevelden zijn.

De Binnenrotte over

Barry de Bruin is opgegroeid in een appartement aan de Hoogstraat. Toen Barry ongeveer twaalf jaar oud was, maakte hij zijn eerste oversteek alleen over de Binnenrotte. Zijn speelterrein beperkte zich toen niet meer tot enkel het Hoogkwartier, met zijn expeditiestraten, Achterklooster en landjes. De oversteek ontblootte een geheel nieuwe wereld aan speelmogelijkheden in de warenhuizen aan de andere kant van de Hoogstraat. “Het waren gewoon speeltuinen”. Favoriete afdelingen waren de dieren bij de V&D – daar was toen nog van alles te koop – en ook de kampeerafdeling. En de spelcomputers bij de Dixons natuurlijk, die waren toen net in opmars. Barry en zijn vrienden bezochten de warenhuizen zo vaak, dat ze op den duur alle beveiligers bij voornaam kenden. Dat was best handig, want de winkeliers waren niet altijd even blij als de vrienden weer eens een bezoekje brachten.

Mysterieuze jeugdbende

Voor zijn oversteek over de Binnenrotte, speelde Barry vooral in het Hoogkwartier: “een dorpje”. Er werd gespeeld op het fort op het Achterklooster landje en voor het Savoy Hotel. “De kuil” heette dat landje en je kon er heerlijk sleeën als het gesneeuwd had. Het ging er in die jaren nog wel eens hard aan toe in de buurt. Ware blaaspijpoorlogen speelden zich af in de straten. Als je bij de club van vrienden uit de buurt wilde horen, werd je een dag lang door iedereen achterna gezeten. Barry heeft dit ritueel gelukkig altijd kunnen ontlopen, hij vormde een tweemansbende met een buurjongen van de overkant van de straat. Daarnaast wisten alle jongens uit de buurt van het bestaan van een mysterieuze jeugdbende, die achteraf gezien waarschijnlijk nooit bestaan heeft. De jongens hadden zelfs een naam voor de raadselachtige bende: “Kokomo”.

Het ging er in die jaren nog wel eens hard aan toe in de buurt. Ware blaaspijpoorlogen speelden zich af in de straten.

Expeditiestraten

Het huis van het gezin De Bruin was een redelijk klein appartement. Barry herinnert zich dat het een tijd was van hard werken. Maar ook een tijd van veel bezoek en feestjes. Het was een vrijere tijd, de optimistische nasleep van de jaren 1960. Tijdens feestjes zat iedereen op de grond. Vanaf het balkon van het huis kon Barry toekijken op hoe mensen in achtergelegen expeditiehof naar hun werk gingen, zoals de medewerkers van het Blindeninstituut. Echt spelen kon je niet in de expeditiestraten, dan werd je er uitgezet door de ondernemers, die daar toen nog veel zaten. Die “hadden er ook niet altijd trek in” als er een nieuwsgierige knul aan kwam waaien.

Tijdens feestjes zat iedereen op de grond. Vanaf het balkon van het huis kon Barry toekijken op hoe mensen in achtergelegen expeditiehof naar hun werk gingen, zoals de medewerkers van het Blindeninstituut.

Vormgeving

De vormgeving van het Hoogkwartier vind Barry een beetje nietszeggend. Maar toch heeft hij nostalgische gevoelens bij zijn buurtje. Daarnaast is de schaal van de bebouwing prettig en wekken de verhoudingen een knus gevoel op. En je kan uit de stijl van de gebouwen het optimisme aflezen waarmee ze gemaakt zijn, vindt hij, zoals bij het Industriegebouw met zijn grote open ramen.

En je kan uit de stijl van de gebouwen het optimisme aflezen waarmee ze gemaakt zijn, vindt hij, zoals bij het Industriegebouw met zijn grote open ramen.

Waardering

Het is mooi dat de wederopbouwarchitectuur weer meer gewaardeerd wordt, maar dat betekent niet dat verandering perse iets negatiefs is. Vooralsnog is een ding niet veranderd en dat is dat er nog steeds in het Hoogkwartier gespeeld wordt op het Achterklooster. Nu door de kinderen van Barry, terwijl opa en oma, die nog steeds aan de Hoogstraat wonen, toekijken.

Alle verhalen