Mevrouw Pothuizen komt uit Rotterdam. En ze voelt zich een echte Rotterdamse. Toch is ze 32 jaar uit de stad weggeweest. Toen ze stopte met werken besloot ze weer terug te keren, want de stad echt verlaten, dat had ze toch nooit echt gedaan.

Nu woont ze op een A-locatie, zo dicht bij het centrum, uitkijkend op de hoge gebouwen in het stadshart. Het was helemaal niet wennen, die architectuur, want toen mevrouw buiten Rotterdam woonde, hield ze de ontwikkelingen in de stad goed in de gaten. Twee keer per jaar ging ze naar de stad, om te struinen; kijken wat er nu weer bij was gebouwd. “Ik ben altijd bouwgevoelig gebleven”. Een woning in een buitenwijk was geen optie, mevrouw is een stadskind.

Liefde voor de nieuwgebouwde stad

Toen mevrouw nog bij haar ouders inwoonde, in het Oude Noorden, verhuisde ze met hen mee naar rand van de stad. Dat vond ze maar niets. Op hakken ging ze terug naar het centrum. Die liefde voor de stad, en dan vooral voor de nieuwgebouwde stad, die is misschien wel aangewakkerd tijdens haar schooltijd.

Op de basisschool werd de wederopbouw van de stad uitvoerig besproken. Alles werd goed stevig gebouwd. Naast het leren over innovatieve funderingstechnieken, riolering en het gebruik van drijfkelders bezocht mevrouw als jong meisje ook de opening van verschillende Rotterdamse gebouwen. In een lange stoet liepen dan de verschillende klassen achter elkaar door de lege stad. Bij de opening van onder andere de V&D, de Hema en de Rotterdamse Bank, zongen de schoolkinderen toepasselijke liedjes, met vlaggetjes in de hand.

“Dat kan alleen in Rotterdam
Ja, daar weten ze van wanten
Kilometers in het rond
Gaan de palen in de grond”
(tekst van Jaap Valkhoff, red.)

En de vlaggetjes, die werden bij terugkomst in de klas in een grote kartonnen doos verzameld, zodat ze de volgende keer nog een keer gebruikt konden worden.

Landjes in de stad

In dezelfde tijd, toen de binnenstad nog gekenmerkt werd door grote kale vlaktes, speelde mevrouw vaak op het Achterklooster, waar ze weer nu vlakbij in de buurt woont. Toen stond daar nog het Emporium; een zalencentrum en een Citroën garage. Het Achterklooster was toen een ‘landje’. Daar barstte het van in de stad, braakliggend terrein, wel schoongemaakt, maar nog niets mee gedaan. Overal in de stad waren landjes, bij de Hofbogen ook. Het was een beetje wild, met boompjes en struiken. In elke buurt, of elke straat, hadden de kinderen een eigen landje: ‘ons landje’. Als er een stukje stad geruimd werd, werd het gelijk, hop, door de jeugd ingenomen.

“In elke buurt, of elke straat, hadden de kinderen een eigen landje: ‘ons landje’.”

De Hoogstraat is het zorgenkindje van Rotterdam geweest, jarenlang. In de 12 jaar is het heel veel levendiger geworden. Dat is heel leuk. Mevrouw Pothuizen probeert ook veel lokaal te kopen, zodat ze de kleine middenstand kan steunen. Aan de Mariniersweg, waar ze nog geholpen heeft bij het planten van de platanen, zijn sinds de wederopbouw meubelzaken gevestigd, in prachtige diepe ruimten.

Relatie met de stad

Mevrouw herinnert zich vooral de kleuren en de materialen van de wederopbouw. Grijsrode bakstenen, beige deurposten en groene randjes. Mevrouw keek aanvankelijk met grote bewondering naar de nieuwe gebouwen in de stad. Die bewondering veranderde op den duur wel. Sommige gebouwen vindt ze spuuglelijk. “De architectuur omarmt je niet.” Eentonig is de stad in ieder geval niet, met alle verschillende gevels. Rotterdam is een stad die je moet leren kennen. En dat doet mevrouw Pothuizen nog steeds met liefde, want een stadskind, dat is ze nog steeds.

Alle verhalen