De Verwoeste Stad onthuld

Dit beeld is bestemd om door de eeuwen heen de gedachtenis te bewaren aan een van de diepste punten uit de geschiedenis van onze stad en van ons volk. Maar het staat hier niet geïsoleerd, het staat temidden van de triomfantelijke manifestatie van een herrijzende stad. Wij verdoezelen de smadelijke ondergang niet maar hebben er de inspiratie uit geput voor de opbouw van een nieuwe stad. Zo sprak burgemeester Van Walsum op 15 mei 1953 bij de officiële onthulling van het befaamde beeld De Verwoeste Stad van Ossip Zadkine. Het beeld symboliseert door middel van een man zonder hart, zijn armen in wanhoop omhooghoudend, de dramatische verwoesting van het Rotterdamse centrum. Het is als geen ander beeldhouwwerk verbonden met de recente geschiedenis van Rotterdam. Merkwaardigerwijs was een model van het beeld al op vele andere plaatsen te zien geweest voor het in Rotterdam arriveerde. Het is zelfs de vraag of het beeld wel voor Rotterdam is ontworpen.

zadkine-2
Ossip Zadkine met de vrouw van de burgemeesters, J.M. van Walsum-Quispel, bij de onthulling van het beeld op 15 mei 1953.

Ossip Zadkine

De beeldhouwer Zadkine was van origine een Wit-Rus, maar al op vijftienjarige leeftijd voor zijn opleiding naar het westen vertrokken. Vanaf 1909 woonde hij in Parijs en nadat hij in de Eerste Wereldoorlog had gediend in het Franse leger kreeg hij in 1918 de Franse nationaliteit. Hij ontwikkelde zich tot een belangrijk beeldhouwer in een op het kubisme geïnspireerde stijl, waarin ook elementen van primitieve kunst zijn verwerkt. In 1941 vluchtte de halfjoodse kunstenaar naar de Verenigde Staten. In 1946 keerde hij terug naar Frankrijk.

In October 1945 kwam ik uit Amerika, waar ik tijdens de oorlog was geweest. De boot zette me in Le Havre af. Le Havre, veel ruïnes, het karkas van een stad. Een nacht had ik nodig om met een trein zonder ruiten Parijs te bereiken. In die nacht kreeg ik het idee voor het monument. Ik schetste het op papier en ik vergat het. Tot ik in 1947 voor het eerst Rotterdam bezocht. Ik zag een stad zonder hart. Ik zag een krater in het lichaam van een stad. En ik herinnerde mij de nacht, de schetsen. In terra-cotta maakte ik een klein model en stuurde het naar een tentoonstelling van Franse kunst in Duitsland.

Aldus verwoordde Ossip Zadkine de ontstaansgeschiedenis van het beeld in het Vrije Volk van 4 juli 1950.

In het boek Zadkine onder redactie van Jana Beranova wordt betwijfeld of het beeld echt op de verwoesting van Rotterdam is gebaseerd. In latere interviews heeft de beeldhouwer weliswaar aangegeven geïnspireerd te zijn door een bezoek aan Rotterdam, maar verder dan een reis met de trein door Rotterdam is hij in 1946 niet gekomen. Mogelijk dat de blik vanuit de trein over het Luchtspoor voldoende is geweest. Er is ook sprake van inspiratie vanuit de verwoesting van Warschau. Geruchten dat Zadkine het beeld aangeboden zou hebben aan andere Europese steden zijn nooit bevestigd.

zadkine-5
Ossip Zadkine met Baron van Boetzelaar, minister van Buitenlandse Zaken, bij een model van het beeld in het Musée d’Art Moderne te Parijs op 6 december 1951. Nationaal Archief

Model

Een 70 centimeter hoog terracotta model werd in de zomer van 1947 tentoongesteld op tentoonstellingen in Praag en Berlijn. Tijdens een transport raakte dit model ernstig beschadigd en Zadkine vervaardigde een nieuw, twee keer zo hoog gipsen model. Dat was in 1948 voor het eerst in Nederland te zien, in Amsterdam. Daarna was een bronzen model eerst nog te zien op Sonsbeek ’49 in Arnhem om pas in december 1949 te arriveren in Rotterdam in Museum Boijmans-Van Beuningen.

In het Stedelijk Museum in Amsterdam zag Gerrit van der Wal, directeur van De Bijenkorf en kunstliefhebber, het beeld. Hij was zo onder de indruk dat hij het plan opvatte om een grotere versie van het beeld aan de stad Rotterdam te schenken. De Bijenkorf was van origine een joods bedrijf en had veel personeel verloren tijdens de oorlog. Van der Wal bleef overigens tot 1978 anoniem als schenker. Hij was ook betrokken bij de bouw van het nieuwe gebouw van De Bijenkorf aan de Coolsingel en het beeld van Naum Gabo. Aan de schenking waren twee voorwaarden verbonden. Ten eerste zou de beeldhouwer zelf de plek in de stad mogen uitzoeken. Ten tweede moest de gemeenteraad unaniem akkoord gaan met de schenking.

Onomstreden

Om de reacties van de Rotterdamse bevolking te peilen werd een bronzen model van het beeld in Rotterdam gepresenteerd. Op 1 december 1949 op een overzichtstentoonstelling van Zadkine in Museum Boijmans en in 1950 eerst in het Stadhuis en later op de tentoonstelling Ahoy. Er werd getwijfeld of de Rotterdamse gemeenteraad en de bevolking wel enthousiast zouden zijn over zo’n modern beeldhouwwerk. Daarom was die omzichtige presentatie via het museum en Ahoy uitgedacht. Maar het beeld werd vrijwel direct gewaardeerd. Slechts één man sprak zich er krachtig tegen uit. Directeur Gemeentewerken Jan Tillema schreef een artikel in het Katholiek Bouwblad waarin hij zich fel verzette tegen de komst van het beeld.

Moet deze bezetene, zes meter hoog, voor altijd als een demonische gesel het nieuwe hart van mijn stad slaan met verlamming? Tillema had voorkeur voor een herkenbare menselijke figuur, waarin men een man van het nu eenmaal door God geschapen ras wil en kan herkennen. Hij vroeg zich ook af of, wanneer de stad een buitenwijk in de oorlog zou zijn kwijtgeraakt, de bronzen man dan misschien, in plaats van het hart, een arm of een been zou missen…

zadkine-3
Aankomst van het beeld bij de gereedstaande sokkel, 5 mei 1953. Nationaal Archief
Zadkine
Het uit Parijs getransporteerde beeld werd mei 1953 op zijn plaats gezet. AD: Archief Het Vrije Volk

Sokkel

De meeste architecten als J.J.P. Oud en J.H. van den Broek en kunstcritici als Pierre Jansen en Gabriël Smit waren wel enthousiast over het beeld. Ook de Rotterdamse bevolking stond getuige de ingezonden-brievenrubrieken in de kranten niet afwijzend tegenover het beeld. Er waren natuurlijk de gebruikelijke bezwaren tegen moderne kunst en tegen de hoge kosten ervan. Aangezien het beeld een geschenk was bleven die kosten beperkt tot 24.500 gulden (ca. 11.000 euro) voor sokkel en plaatsing. Merkwaardigerwijs was het uitgerekend directeur Gemeentewerken Tillema, de grootste tegenstander van het beeld, die uit hoofde van zijn functie de sokkel moest ontwerpen. In het boek Zadkine van Jana Beranova is het gerucht nader onderzocht, dat het Labradorgraniet van de sokkel bestemd was voor een standbeeld van Adolf Hitler. Dit was inderdaad bestemd voor de sokkel van een dergelijk beeld in Berlijn. De Rotterdamse steenhouwers die gedwongen waren het werk uit te voeren traineerden het echter en konden het graniet na de oorlog als oorlogsbuit voor een zacht prijsje aankopen. En zo kon de Rotterdamse Steenhouwerij het materiaal in 1953 aan de gemeente schenken. Het beeld kon vanwege de omvang alleen in Frankrijk worden gegoten. Op 1 mei vertrok het beeld vanuit bronsgieterij André Susse te Parijs naar Rotterdam.

zadkine-4
Onthulling van het beeld De Verwoeste Stad op 15 mei 1953 door J.M. van Walsum-Quispel , de vrouw van de burgemeester. Nationaal Archief

Onthulling

Dit beeld heeft zich zijn faam reeds verworven vóór het werd onthuld. Over de gehele wereld heeft men zich er mee bezig gehouden. Het heeft bewondering en weerstand gewekt. Dit op zichzelf reeds bewijst zijn betekenis. Over iets middelmatigs, conventioneel of onconventioneel, zou men zich niet zo druk maken. Ik verbeeld mij zeker niet dat de duizenden die langs dit beeld zullen trekken het allen zullen bewonderen of ook maar mooi vinden. Maar ik verwacht wel dat velen naar onze stad zullen komen om dit beeld te aanschouwen, of eenmaal in Rotterdam zijnde het in elk geval willen zien. En ik voor mij, ik ben er zeker van dat komende generaties Rotterdam gelukkig zullen prijzen om het bezit van deze schepping en de bevordering van de oprichting van dit monument als wijs beleid zullen noemen. Zo vatte burgemeester Van Walsum de discussie rond het beeld samen in zijn toespraak. Ondanks aanvankelijke scepsis zoals blijkt uit de bijnamen Jan Gat en Het Monster van Frankenstein werd het beeld De Verwoeste Stad vrij snel aanvaard door de Rotterdamse bevolking. Het heet in de volksmond zelfs Zadkine of Zadkini naar de beeldhouwer. Wel is er sinds 1953 flink gesold met het beeld. Bij het verdwijnen van de Leuvesluis in 1967 werd het Plein 1940 heringericht. Vanaf eind jaren zestig werd ook het idee van het Venster op de Rivier verlaten. Eerst waren er de grootscheepse plannen voor een World Trade Center in de Leuvehaven, een complex van kantoortorens die later aan het Marconiplein terecht zijn gekomen.

Door de bouw van het Maritiem Museum tussen 1983 en 1986 verdween het Venster op de Rivier uit het Basisplan definitief en werd het Plein 1940 verkleind. Het beeld werd enigszins in oostelijke richting opgeschoven. Door de bouw van de hoogbouw van De Coopvaert in 2006 veranderde het plein opnieuw van uiterlijk.

Anno nu

In 2014 was er het plan het beeld van Zadkine te verplaatsen naar het nieuwe Stationsplein. Voorstanders verwachtten dat Zadkine bij het station dezelfde status zou kunnen krijgen als het Vrijheidsbeeld. ‘De Verwoeste Stad die zo symbool staat voor wat de stad is overkomen, verdient een betere plek dan het achterafveldje waar het beeld nu staat,’ aldus D66 raadslid Jos Verveen in het Algemeen Dagblad van 26-2-2014. Maar gezien het feit dat de kunstenaar deze plek specifiek uitgekozen had werd dit initiatief al snel als heiligschennis verworpen.

Volledige tijdlijn