Jan van Teeffelen, augustus 2016

Reflecties over het Laurenskwartier

Al in 1995 stond stad stil bij 50 jaar wederopbouw, tegelijkertijd met een blik op 50 jaar toekomst waarbij het Laurenskwartier onder andere als casus diende. Nu ruim twintig jaar later, reflecteert planoloog Jan van Teeffelen op de manifestatie van destijds waar hij nauw bij betrokken was. Dit artikel gaat echter niet alleen over het verleden, maar juist over toekomstverkenningen en de kracht van scenario’s om concepten en oplossingen voor het vormgeven aan de stad te voeden en te bevragen. In de snelle veranderingen in de economie, het sociale domein, de energievraagstukken, de vervoerstechnologie en de  opgaven en praktijken van stadmaken met veel en verschillende stakeholders is dat nog steeds actueel.

Intro

In deze tekst sta ik stil bij het vermogen van de ‘makers’ van de stad om over mogelijke, denkbare toekomsten na te denken en de resultaten ervan toe te passen in hun werk. Ter inspiratie grijp ik daarvoor terug naar eind vorige eeuw. Het heden van nu was destijds een vermoeden van de toekomst van toen. In het midden van de jaren negentig was er een mooie aanleiding (1) om deze vraagstelling en alles wat er mee samenhangt samen te ballen tot een bijzondere manifestatie: 50 jaar wederopbouw/50 jaar toekomst. De kernvraag was: als de wederopbouw is voltooid en de stad onderdeel uitmaakt van een nieuwe stedelijke regio, wat komt er dan als opgaven af op de ontwerpers en de bestuurders van de stad? Is het Basisplan uit 1946 niet uitgewerkt? Moet de stad niet (nu het in de eigen staart begint te bijten) proberen inspiratie te putten uit nieuwe bronnen? Nu, ruim 20 jaar later is het interessant te zien hoe gedachten, opvattingen, verwachtingen en voorspellingen met betrekking tot de stad zich hebben gehouden. Kunnen we wel leren van ‘de toekomst’ of is het meer een kwestie van ‘science of muddling through’: we zien wel waar we uitkomen. Fuzzy logic (2), een vage logica om verder te komen met de stad. Of misschien wel werken met de waan van de dag.

Ik zal proberen dit te illustreren aan de hand van het Laurenskwartier (3) als prototypisch voor het ontstaan van Rotterdam (het centrum) als wel voor de Rotterdamse dadendrang (het Wederopbouwen). Hoe dachten de experts rond 1995 hierover. De belangrijkste bronnen voor dit stuk zijn de volgende documenten: 

  • Omzwervingen door het landschap van de toekomst. Rotterdam 2045, visies op de toekomst van stad, haven en regio, bestaande uit twee delen:
    • Bericht halverwege, van vraagstukken naar scenario’s (april 1995)
    • Terugkeren om opnieuw te vertrekken, van scenario’s naar visies    (augustus 1996)
  • Rotterdam 2045 (samenvattend magazine): visies op de toekomst van stad, haven en regio, 1995

In deze drie documenten wordt verslag gedaan van alle fasen van de manifestatie: de dilemma’s, de oplossingsrichtingen, de scenario’s en de opgaven, de uitwerking en de verbeelding ervan, het publiek debat erover.

(1) Rotterdam zou per referendum opgaan in een groter bestuurlijk verband. Met als cadeau aan de collega gemeenten een rugzak vol inspiratie en kennis voor de nieuwe opgaven.
(2) Zie essay van Erna van Sambeek.
(3) Er werd ook aandacht besteed aan het Schiehaven gebied, wonen in vier ringen, Midden IJsselmonde, de A4 corridor en het nieuwe kustlandschap.

marlies1

Over scenario’s

Eerst iets over het maken van scenario’s. Jaap Leemhuis, de scenarist destijds van Shell (4) heeft veel bijgedragen aan het beantwoorden van de vraag naar het waarom en hoe van het werken met scenario’s. Net als die wereldwijd opererende business gigant, is ook een stad in feite een ‘supertanker’ die ver vooruit moet kijken en tijdig moet bijsturen voor een nieuwe koers. Die professionele input en dat gevoel voor urgentie maakte de manifestatie juist zo opwindend. Zeker als er ook politici (5) bij betrokken zijn die als het ware met de ‘schaar in de handen ‘klaar zitten om het volgende lintje door te knippen als bewijs van bestuurlijke daadkracht en succes. Niets is ook voor urbanisten (6) leuker en stoutmoediger dan na te denken over en te ontwerpen aan de stad van de toekomst. Niets is ook zekerder dan dat we de toekomst niet kunnen voorspellen. Wat dan wel?

Toekomst verkenning. Dat is door de tijden heen op verschillende manieren gedaan. Met een afnemende mate van zelfverzekerdheid verliep dat via ideologieën, utopieën, futurisme, voorspellingen, extrapolaties, scenario’s. De fase hierna zou de stelling onderschrijven dat we überhaupt niets kunnen zeggen over wat voor ons ligt. Vanuit opvattingen gebaseerd op de chaos theorie zou dat leiden tot een houding van ‘anything goes’: onvoorspelbaarheid en onhoudbaarheid  van de ‘maakbare stad’. De stad als netwerk ontwikkelt zichzelf met een armoedig pragmatisme als mager eindresultaat voor planologen, stedenbouwers en beleidmakers? Daar wilde men destijds niet aan. Liever gezegd; dat was het te vermijden scenario. Waar liggen de uitdagingen en wat kunnen ontwerpers daaraan bijdragen (zowel benoeming als vormgeving ervan)?

(4) Shell: “blijven we ten alle tijden in de olie of wordt onze business diverser”? Zeer actueel anno 2016.
(5) Over het algemeen de mensen die denken in termen van het ‘haalbare’ in plaats van het denkbare.
(6) Destijds voornamelijk bureaucraten en hun adviseurs. Nu zou het een veel breder gezelschap van ‘stadsmakers’ betreffen als intermediairs tussen burgers en overheid.

50 jaar wederopbouw/50 jaar toekomst

Rond 1995 hebben we dat in Rotterdam een keer getest om te zien waar we stonden in deze planningstraditie en deze toekomstverkenning.  Met de manifestatie ‘50 jaar wederopbouw en 50 jaar toekomst’ onderzochten we het breekpunt en de markering tussen een typisch Rotterdamse praktijk van bouwen, wederopbouwen, afbreken en ruimte maken, plannen, rooilijnen en bouwhoogten reguleren, prestaties neerzetten, concrete doelen nastreven aan de ene kant en een opkomende gevoel van onzekerheid over en grip op de toekomst en de koers van de stad aan de andere kant. Een typering van de tijdgeest geeft het volgende citaat:

Citaat 1995

“We zitten op een keerpunt met wellicht grote psychische gevolgen. Hoe behoud je de charme van de wederopbouw moraal nu de stad er weer staat, er geen duidelijk doel, geen consensus meer aanwezig is over strategie, geen ethisch kader waarin grote groepen elkaar kunnen vinden. De twijfelachtige luxe van het nulpunt van een bombardement is definitief voorbij. Er is een overgang van groei, van maken, naar onderhouden en beheren. Het is een minder glansrijk lot met veel meer twijfels. Hoe blijf je daar enthousiast bij? Is onderhouden van het bestaande niet een maatje te klein voor de echte Rotterdammer?”

marlies2

Zie hier de uitdagende basisgedachte destijds voor het onderzoeken en verbeelden van de vruchtbare paradox van Rotterdam 2045. Bestaande uit een zekere zielsverwarring bij het verdwijnen van de ontelbare bouwkranen en –putten, de onmogelijkheid om de lange termijn te voorspellen en te plannen, het ontbreken van een ‘bezield’ ontwerp, de Rotterdams doe-mentaliteit en desondanks toch iets zeggen over mogelijke toekomsten van Rotterdam en de uitdaging van ontwerpers nieuwe inspiratie op te doen.

Op het moment (1995 dus) dat je de opgave zo formuleert, is veel denkbaar en ook nog mogelijk. Zeker als de horizon verder weg gelegd wordt dan de veelal bestuurlijk korte vooruitblik. Is nadenken over de lange termijn een blijk van zelfoverschatting? Is het werken met scenario’s een vruchtbare paradox: een beroep doen op verbeeldingskracht en tevens het ‘wegdenken’ van een aantal belemmeringen? Een creatief proces van nadenken over toekomsten die gewenst of gevreesd zijn?

Van dilemma’s (7) naar scenario’s

Om de integrale problematiek van de stad/stedelijke regio bespreekbaar te maken is een vijftal dilemma’s geformuleerd met de bijhorende vragen (citaten):

Sociale dilemma:
Ogenschijnlijk is er een einde gekomen aan het absorptievermogen van de grote stad, terwijl de instroom van migranten nog lang niet ten einde is. Hoe ontwikkelt zich de segmentering van de stedelijke samenleving in domeinen? Wat is de minimale samenhang die nodig is om die samenleving bijeen te houden?

Economische dilemma:
De groei van de grootstedelijke economie stagneert. Enerzijds is er de noodzaak het mainport complex uit te bouwen ten behoeve van de internationale concurrentieslag, anderzijds nijpt de grote behoefte  aan werk voor laag geschoolden. Waar zit de nieuwe werkgelegenheid? Waar liggen de grenzen in de concurrentieslag?

Ecologisch dilemma:
Is er ecologisch verantwoorde groei mogelijk? Hoe de patstelling tussen grote infrastructurele ingrepen en de ecologische druk te doorbreken? Waar ligt het dynamische evenwicht tussen enerzijds investeren in ontwikkeling en anderzijds het beheer van de kwaliteit van het leefmilieu?

Politiek, bestuurlijke dilemma:
Wat zijn de consequenties van het tegengestelde krachtenveld, waarin het politieke en bestuurlijke  systeem zich geplaatst ziet: aan de ene kant internationalisatie en aan de andere kant decentralisatie? Waar liggen de aangrijpingspunten voor beleid en samenwerking tussen diverse partijen bij een terugtredende overheid? Hoe verhouden zich een regionale bestuurslaag tot de omvang van de invloedssferen van het stedelijk netwerk?

Hardware dilemma:
Hoe in tijden van grote dynamiek en vluchtigheid van maatschappelijke verschijnselen en in geval van ontbreken van dominante normen en waarden te komen tot lange termijn plannen voor stedelijke structuren? Is er voor de stedenbouw, de architectuur een generalistische sleutelrol weggelegd in het ‘tijdperk van de onbeslistheid’, of zijn er van de plannende instanties louter esthetiserende en technische oplossingen te verwachten?

Op deze manier geformuleerd gaan de eerste drie dilemma’s over de krachten om ons heen die inwerken op de stad (de robuuste trends), het vierde dilemma gaat over hoe politiek en bestuur daarop ingrijpen (sturen en beleid vormen) en het laatste dilemma gaat over hoe een en ander vorm krijgt in de fysieke stad (ontwerpen en maken).          

Middels een 7 tal prototypische locaties in de stad, de regio en de haven zijn de scenario’s verkend en van een beeldend ontwerp voorzien. Ook het Laurens kwartier was een van die exercities. Stel dat Rotterdam zich zou blijven ontwikkelen volgens de snelheid en de dictaten van de vrije markt, hoe zou dit gebied er dan uit kunnen gaan zien? Stel anderzijds  dat er een kink in de kabel komt die ons de kans geeft tot (her)overweging: wat zouden dan de consequenties en de kansen zijn? Kort samengevat zal de keuze gaan tussen moderniseren (opvoeren van ontwikkelingstempo) of temporiseren (kentering, correctie op de vlucht naar voren).

Ofwel zoals destijds geformuleerd:

Rotterdam a tempo (De Maas blijft de baas):
Dit is de toekomst die het resultaat is van een ongeschonden geloof in vrijheid van handelen. Dit liberale model staat voor ontplooiing en emancipatie van de mens. Rotterdam blijft daarmee in het teken staan van het geloof in groei. Beleid, gedrag en doelstellingen worden sterk bepaald door dit streven naar maximalisering van productiviteit, rentabiliteit en effectiviteit. “Helpers weg: ruimte voor de markt”.

Rotterdam, onthaast je (De Maas meester):
Deze samenleving staat in het kader van de correctie op de grote spanningen en dilemma’s. Het bestuur heeft de consequenties getrokken uit een aantal destructieve tegenstellingen: die tussen de productiefactoren kapitaal, arbeid en natuur, die tussen maximalisatie en natuur, en die tussen voorspoed en uitsluiting. Rotterdam wordt gekenmerkt door een geest die optimalisatie boven maximalisatie stelt. “Regie bij de overheid, de markt volgt”.

Dit zijn bondig geformuleerd twee scenario’s (8) die zich over een langere periode voor zouden kunnen gaan doen (9). Zo dachten we rond medio de jaren 90. Kijken we nu terug dan heeft zowel die versnelling als die knik in ontwikkeling zich voorgedaan. Globalisering en ict gedreven ontwikkelingen aan de ene kant, versnellen het tempo van ontwikkelingen. De stad groeit, trekt succes aan en plooit zich naar allerlei disruptieve innovaties. De banken crash in 2008 en alles wat daarop volgde (en nog steeds volgt) aan de andere kant, kondigde een keerpunt aan. Althans dat was op een gegeven moment de verwachting. De vraag is echter of die ’tik’ heeft doorgewerkt. Er lijkt eerder sprake van een time out. Wat wel heeft doorgezet is het ontstaan van een steeds bredere beweging van bottom-up up initiatieven samen met een zich terugtrekkende overheid. Stedelijke regie bij de overheid??

(7) Via een publiek debat en de inbreng van een op dat punt ingevoerde referent en opponent is steeds het betreffende dilemma uitgewerkt als twee fundamenteel van elkaar verschillende oplossingsrichtingen.
(8) Als input voor de uiteindelijke scenario’s is er gebruik gemaakt van veel systematische en specialistische kennis (CPB, scenariogroep van deskundigen als constante factor, scenarioschrijvers, plandocumenten).
(9) Het zijn er geen 4 om zaken juist uit te vergoten, scherp te stellen, om ontwerpers uit te dagen.

Interpretatie

Twee Rotterdamse tijdgeesten en praktijken (1995 vs. 2016), enkele noties:

  • In plaats van lijstjes opstellen met het aantal gerealiseerde en nog te bouwen hoogbouwprojecten in de stad en daarmee te pronken (als bewijs van economische attractiviteit), is er veel meer aandacht ontstaan voor de verblijfskwaliteit in de binnenstad. Groundscrapers in plaats van skyscrapers. Citylounges in plaats van doorstroming van verkeer. Groen in plaats van rood. Het perspectief van de gebruiker in plaats van dat van de ontwikkelaar.
  • In plaats van koersen op het binnenhalen van kantoorvolumes groeide de aandacht voor de experience economie. Betekenisvolle plekken in de stad waar ontmoeting, uitwisseling, ervaring centraal staan. Een Centraal Station is niet alleen een mobiliteitsknooppunt maar nog veel meer. Het zelfde geldt voor de Markthal: niet alleen marktplaats maar ook voedsel beleving en wonen. Straks wellicht ook het Depotgebouw: niet alleen opslag van kunst maar ontsluiting van collecties. ‘Iconomie’ in plaats van economie?
  • De stad op ooghoogte. Een programma dat in Rotterdam lang verwaarloosd is. In plaats van fysieke planning en realisatie van gebouwde volumes is het accent verschoven naar de kwaliteit van het onderliggende netwerk van straten en pleinen en het gebruik en de beleving ervan door bewoners en bezoekers.
  • En (met een lange aanloop van pogingen) wellicht ook een andere opvatting van de stad aan de rivier. De potentie van de Maas in relatie tot milieu, duurzaamheid, verblijfskwaliteit. De Maas meester? Ook hier een verschuiving in het perspectief van functionaliteit naar gebruiks- en belevingswaarde (maar wel gekoppeld aan de grote en zeer urgente wateropgave).
  • Maar ook in het maximaliseringsscenario herkent de stad zich nog steeds of eigenlijk opnieuw. Er zijn nu mondiale krachten werkzaam die de stad gebruiken als grondstof voor geheel nieuwe bedrijfsmodellen. Data city. Burgers en bedrijven leveren data die de stad kan gebruiken voor optimalisering van een aantal processen (verkeer, energie gebruik, veiligheid) maar die vooral ook verkocht worden aan andere grote gebruikers ten behoeve van zeer gerichte marketing. Het is nog niet duidelijk hoe dit gaat uitpakken, ook voor de stad. ‘Who is in charge?’
  • Dit waren in 1995 geen kwesties. Migratie wel maar vluchtelingen niet. Smart city is niet genoemd, wel het geloof in technologie als katalysator en oplosser van (vooral de milieu) problematiek. Ook de veranderende betekenis van het openbare domein als gevolg van economisering, digitalisering en datacontrole is nieuw. Van wie is de stad nu eigenlijk?
  • Was rond 1995 de deeleconomie nog zeer pril en trendsettend (scenario 2?), waren toen de nu grote spelers (10) nog niet bekend, inmiddels is er sprake van keiharde business (scenario 1!) en is er de vraag naar regulering. Wat wint en verliest de stad ermee?
  • En tenslotte de veiligheidskwestie. Trouble in the city. Parijs, Brussel, Rotterdam? De jaren 90 waren nog een idyllische periode.

(10) Airbnb, Über, Google, etc.

Kritiek

De scherpste kritiek op (de destijds geformuleerde) scenario’s komt van de ontwerpende discipline, met name de architecten. Het zou kunnen zijn dat zij zich beperkt voelen in hun scheppend vermogen door overwegingen en kaders die door anderen worden aangereikt. Als men zich er wel door laat inspireren, worden de scenario’s herschreven naar eigen inzicht zoals men ook het programma van een opdrachtgever voor een gebouw herschrijft. Architecten zijn over het algemeen geen ‘what if?’ denkers. Ze staan in functie van hun opdrachtgevers. Vergeten lijkt te worden dat scenario’s kunnen helpen om bestaande ontwerpen te ‘ondervragen’ en zo verder te helpen of om aan het begin van een ontwerpproces de bandbreedte van de mogelijke oplossingen te voeden.

marlies3

Citaat Godfried Engbersen

“Het Rotterdam van 2045 dient gefundeerd te zijn op de eigen rijke tradities en instituties waarin drie karaktertrekken verborgen zijn: de vechtmentaliteit, het sociale gezicht en het pragmatisme”.

Het Laurenskwartier

“Waar ‘Rotterdam’ ontstond, vernietigd is en opnieuw herrijst”.

Situatie 1995. In de manifestatie is het Laurenskwartier gezien als pars pro toto voor de toen al 50 jaar gaande wederopbouw inspanningen van de stad. Dit is verder toegespitst op een aantal actuele thema’s waar de stad mee te maken heeft. Allereerst de noodzakelijke verdichting van het centrum in relatie tot de periferie. Het Laurenskwartier kent rond 1995 een dichtheid en gebruiksintensiteit die niet correspondeert met de centrale ligging ervan. Er is sprake van een overmaat aan onbebouwde, kwalitatief matige ruimte.

Het Laurenskwartier heeft zowel stedelijke als perifere kenmerken. En contrasteert sterk met de centrumruit ten westen ervan waar het economische hart zich bevindt (winkels, warenhuizen, banken, kantoren).  Het Laurenskwartier is een gebied met een grote historische lading, maar tegelijk met een geringe ruimtelijke en functionele betekenis ten opzichte van de rest van de binnenstad. Tal van gebouwen zijn niet of nauwelijks op functieverandering berekend. Voorgevels (het gezicht van gebouwen) staan afgewend van de openbare ruimte. Flexibiliteit in mogelijk gebruik ontbreekt.

Twee ontwerpers hebben een essay geschreven waarin zij hun visie op het gebied en de mogelijke, c.q. gewenste strategie uiteen zetten in het licht van beide scenario’s.

  1. Van Sambeek en van Veen: “Geheugen en continue verandering”.
  2. Wiel Arets Architects: “Unpredictable repetition of strange bodies”.

1) Van Sambeek en van Veen: “Geheugen en continue verandering”
Een analyse met kaartbeelden van het gebied in de cruciale jaren 1593, 1850, 1930, 1940 en 1995 van zowel de morfologie als de structuur leveren over elkaar heen gelegd de strategische plekken op waar interventies van formaat op zijn plaats zou zijn. Ze staan los van elkaar en kunnen naar behoefte in de tijd gerealiseerd worden. Ze voegen zich in een structuur die bewezen is, d.w.z. dat ze gekoppeld zijn aan openbare ruimten (straten en pleinen) die het karakter van het Laurenskwartier (in wisselende mate door de tijd heen) altijd hebben bepaald. Er is nadrukkelijk geen sprake van een plan omdat de stad zich niet volgens een plan ontwikkelt.

“Wij merken heel direct op dat door die kaarten te maken andere betrokkenen bij het project allerlei aanknopingspunten zagen in het gebied die volledig uit het oog waren verloren. In 2010 kan je al heel veel dingen bereikt hebben zonder ongelooflijk heftig tegen alles in te gaan. Op strategische plekken kun je het Laurenskwartier als moderne stad door ontwikkelen, in confrontatie met de gebieden die er al zijn en ook zo kunnen blijven”.

“Straten en pleinen. Dat is waar je je als overheid voor wilt inzetten. Vervolgens moet de stad zich ontwikkelen, moeten we de dichtheid op voeren en de functies mengen. Dat moet vanuit de structuur en niet vanuit de bebouwing. Dat komt later en is een taak voor architecten”.

Afbeelding-1-small
Afbeelding-2-small

2) Wiel Arets Architects: “Unpredictable repetition of strange bodies”
Het gebied zal ‘geïnfecteerd’ moeten worden met drie krachtige ingrepen (virussen). Er kan niet langer volstaan  worden met een ouderwetse stedenbouwkundige methodiek, met een stedelijk weefsel van stratenpatronen en bouwblokken. Interventies die niet anticiperen op context maar die een eigen, krachtig programma en identiteit inbrengen. Deze drie ingrepen zijn gesitueerd langs een van de conceptuele assen van de stad: de woonas langs de Binnenrotte. Het onvoorspelbare zit hem in het feit dat de architect niet de rol heeft te zeggen wat er gaat gebeuren, voorspelbare architectuur te maken.

Afbeelding-4-small

“Onze volumes moeten ook voor een deel aan het oog worden onttrokken. De vorm is heel simpel (stealth bomber), zonder fratsen. Dat heeft niets te maken met een andere esthetiek, maar met een andere functionaliteit. Ik vind dat we over steden moeten praten in termen van scenario, functionaliteit en logistiek en niet over materiaal keuze en gevelbeelden”.

Afbeelding-3-small
Drie TGV stations op de as Amsterdam-Schiphol-Zestienhoven-Brussel-Parijs. Rotterdam anticipeert op de moderniteit en nieuwe ontwikkelingen.

Slot

1

Zijn scenario’s (als middel om over de toekomst na te denken) nog op hun plaats? Is het opsporen en definiëren van dilemma’s nodig om tot toekomstbeelden en plannen te komen? Is het de moeite waard om dilemma’s te formuleren, en ze met elkaar te verzoenen?

Stedelijke planning is onzeker, vooral als het om de toekomst gaat. Visies worden wel gezien als ‘olifanten die maar in de weg staan’ en zo het zicht op de toekomst wegnemen. Men heeft het hooguit over narratieven en stippen aan de horizon. De mainstream houding is faciliteren, verbinden, bottom-uppen.

Terwijl de uitdagingen die zich versneld voordoen buiten het directe domein van de overheden vragen om toekomstbeelden en –plannen voor stad en regio. Of liever gezegd niet zozeer plannen maar wel een continue alertheid. Immers de deelnemers aan de ‘nieuwe, of next  economieën’ zijn ook keihard bezig met het plannen, beïnvloeden en profiteren van de stad. Sterker, de stad wordt geëxploiteerd als data bron voor ander gewin met alle mogelijke positieve en negatieve effecten op gedrag van stedelingen en op de betekenis en het gebruik van het openbare domein. En de centrale vraag is dan welke rol en positie de overheid inneemt in dit krachtenspel. Wat is hun perspectief op de samenhang tussen wat er om ons heen gebeurt (drijvende krachten) en concreet beleid en planvorming?  Bovendien wordt gedragsbeïnvloeding van burgers, consumenten en bedrijven een steeds belangrijkere factor in de beleving en inrichting van de stad dan de voorheen zo fysiek georiënteerd stadsplanning. Wordt het op subtiele, digitale  wijze beïnvloeden van keuzen in aankopen, verblijfsplekken, belevingen en routines van stedelingen en bezoekers van de stad een nieuwe drijvende kracht achter de perceptie en het gebruik van het fenomeen stad?. Dat werd in 1995 nog niet als zodanig onderkend.

2016

Meer en beter dan in dit artikel gepoogd is, lijkt het de moeite waard om scenario’s (niet alleen deze uit 1995) eens af te stoffen en te vergelijken met wat er werkelijk is gebeurd. Daar valt veel van te leren. Hoe wisselen de perspectieven op de toekomst door de tijd heen? Dat is dan de kernvraag en niet welk scenario werkelijkheid is geworden: dat is (gelukkig) nooit het geval.

 

Terugkijkend op de analyses, ideeën en ontwerpen uit de manifestatie van ruim 20 jaar geleden vallen een paar zaken op. Het is  niet gemakkelijk om doel en strekking van scenario’s duidelijk te maken aan mensen die ze niet zelf maken maar aan wie gevraagd wordt ze te gebruiken. Kern is een interpretatie van het heden gekoppeld aan een mogelijke toekomst. Het is geen kwestie van kiezen wat bevalt en wat niet. Scenario’s maken een gemeenschappelijke bedding voor begrip en creativiteit. Als denkmodel kunnen scenario’s richting geven aan een ontwerpproces. Zij bieden de mogelijkheid om op verschillende manieren naar ontwerpvoorstellen te kijken. Scenario’s zijn in onderlinge samenhang geformuleerde hypothesen die tot stand komen op basis van kennis van mensen die een bepaald veld kunnen overzien en daar de trends in formuleren.

In het geval van de manifestatie 50 jaar toekomst waren de scenario’s ook een uitdaging voor de ontwerpers aan de stad. Zij kregen de kans zich los te maken van de programma’s van eisen van opdrachtgevers. Zich te ontdoen van de bekende planningshorizon met al haar beperkingen. De uitdaging was opnieuw te zoeken naar een wenkend perspectief, naar nieuwe samenbindende ideeën. Naar voorstellen voor de stad waar nog om te strijden valt. Dat is niet echt gelukt. Als je kijkt naar de voorstellen voor het Laurenskwartier (als opgave voor een nieuwe, volgende toekomst voor het centrum van Rotterdam) dan vinden we daar alles in terug wat ook past in een of beide scenario’s. Strategische plekken waar de markt zo aan de slag kan, programma ‘bommen’ die hun eigen context creëren, voorstellen voor de bestaande structuur van dit stadsdeel, verdichting als onontkoombare opgave, het ontwikkelen van deelgebieden op eigen kracht.

2

Niet elk onderdeel (projecten in ontwikkeling) kan het ‘gewicht en de impact’ van scenario’s dragen. De ruimtelijke eenheid waarop scenario’s willen inwerken, moeten een zekere schaalgrootte hebben. Dit komt omdat de dilemma’s en de robuuste trends betrekking hebben op die grotere schaal: de stedelijke regio. Het Laurenskwartier staat dan in feite voor al die specifiek Rotterdamse condities van functionele onderbenutting, moeizame omgang met bestaande kwaliteiten van de stad en gebrekkig historisch besef. En ook verdunning van programma’s in plaats van opvoering van de stedelijk dichtheid. Nog steeds is er sprake van verplaatsing in plaatst van concentratie. Waar houdt de wederopgebouwde binnenstad op en waar begint een andere stedelijk conditie? Dit is interessante stof voor discussie.

Er zijn anno nu mensen die de nieuwe markthal te groot vinden en meer op zijn plaats in de periferie! Er is nog steeds geen vertegenwoordiging in de binnenstad van de ‘city intelligence’ sector te weten de Erasmus universiteit.

3

Ofschoon de manifestatie een fantastische gebeurtenis was en waar mensen heel enthousiast over waren, is het jammer dat die ook op een gegeven moment ‘afgelopen’ was. De denkramen zijn wagenwijd opengezet, er is veel kennis gemobiliseerd, er zijn inspirerende beelden geschetst. Maar er heeft geen aftersales, follow up plaats gevonden. Net als een bedrijf als Shell zou de stad continu bezig moeten zijn met de vraag ‘what if?’ Niet om niet te hoeven kiezen, maar om het Rotterdamse pragmatisme een wat steviger bodem te verschaffen. De werkelijkheid en wat die in het vat heeft voor de toekomst is te interessant om er niet voortdurend over na te denken en er mee te experimenteren. Deze kanttekening is vooral gericht aan het adres van het bestuur en haar ambtelijke adviseurs. In 1995 stonden die nog tamelijk centraal in de manifestatie. Anno nu zitten er zoveel meer partijen aan tafel. Dat verandert hun rol wezenlijk.

4

De zes projecten in ontwikkeling (waarvan het Laurenskwartier er een was) waarop de scenario’s moesten inwerken zijn over het algemeen beschreven in termen van ruimtelijke structuur, stedenbouwkundige lay out, conceptuele opbouw, interventie vermogen van hetzij de overheid hetzij de markt. Het overall beeld is dat van ‘stadmaken’: de noodzaak en het vermogen om (top down) te interveniëren in de ruimtelijke kwaliteit. De gebruikers kant van de stad, de analyse hoe mensen en bedrijven op basis van routines en voorkeuren de stad gebruiken en daarmee plekken van betekenis voorzien is slechts impliciet aanwezig.

Enkele discussiepunten en conclusies:

Bottom line: houdt de ramen open, blijf de  ‘what if’ vraag stellen, bouw een herinnering aan de toekomst (11) op, blijf kijken naar het heden als een verwijzing naar de toekomst, zorg dat scenario’s door betrokkenen gemaakt worden en zo geïnternaliseerd. Het beste scenario effect is het ‘aha’ effect: wacht even, hier moeten we wat mee!

  1. Er zijn belangrijke verschuivingen opgetreden in de ontwerp-en ontwikkelpraktijk: er is meer aandacht ontstaan voor de verblijfskwaliteit in de binnenstad. Er is een groeiende aandacht voor de experience economy (betekenisvolle plekken waar ontmoeting, uitwisseling, ervaring centraal staan). Er is ook meer aandacht voor de stad op ooghoogte en een verschuiving in het perspectief van functionaliteit naar gebruiks-en belevingswaarde. Hoe kan hier en volgende slag aan worden gegeven?
  2. Er zijn momenteel mondiale krachten werkzaam die de stad gebruiken als grondstof voor nieuwe bedrijfsmodellen: ‘Data city’. Er is vraag naar nieuwe regulering van bedrijven die actief zijn in de ‘deeleconomie’. In het kader van de veranderende betekenis van het openbare domein als gevolg van economisering, digitalisering en datacontrole, is en wordt de vraag: van wie is de stad nu eigenlijk?
  3. Er is een continue alertheid nodig en een herdefiniëring van de rol van de overheid, nu nieuwe (internationale) bedrijven als nieuwe stakeholders de stad mede beïnvloeden en burgers zich vragen stellen over de exploitatie van hun gedragsgegevens. Hoe werkt en met wie werkt de overheid dan samen?
  4. Het is nodig om behalve ‘stad maken’ ook de gebruikerskant van de stad te betrekken op basis van een analyse hoe mensen en bedrijven op basis van routines en voorkeuren de stad gebruiken en daarmee de plekken in de stad van betekenis voorzien. Hoe kan hier een systematische methode voor worden ontwikkeld?
  5. En tenslotte: een stad is een supertanker die ver vooruit moet kijken en tijdig moet bijsturen voor een nieuwe koers. Scenario’s en de daarbij behorende dilemma’s kunnen helpen om bestaande concepten en ontwerpen te ‘ondervragen’ en zo verder te helpen of om aan het begin van een ontwerp- of ontwikkelingsproces de bandbreedte van mogelijke oplossingen te voeden. Daarbij is het van belang de schaal van de stedelijke regio als focus te kiezen en niet alleen het stadsniveau. De stad zal zich continu ‘what if’ vragen moeten stellen.

(11) Vrij naar Pierre Wack

Alle gastbijdragen